Kostprijs van de omzet, of COGS, zijn de directe kosten voor het produceren van de producten of diensten die je in een periode hebt verkocht. Het omvat materialen, productiearbeid en verzending. Het sluit huur, kantoorlonen en marketing uit. De test is simpel: als de kost verdwijnt wanneer je niets verkoopt, hoort hij in COGS.
Een voorbeeld. Als je een stoel verkoopt voor 200 euro en het hout en de assemblage kosten 80 euro, dan is je COGS 80 euro.
COGS bepaalt hoeveel geld er van elke verkoop overblijft voordat je ook maar één vaste kost betaalt. Voor een fysiek product bevat het meestal materialen, verpakking, productiearbeid en inkomende verzending. Voor software is het smaller: hosting, betalingskosten en support die meegroeit met het aantal gebruikers. Voor een dienstverlenend bedrijf zijn het vooral de uren van de mensen die het werk leveren.
Uitgewerkt voorbeeld voor een webshop. Je verkoopt een lamp voor 120 euro. De lamp kost je 45 euro bij de leverancier, 6 euro voor verpakking en 9 euro voor verzending. COGS is 60 euro, dus de brutowinst per lamp is 60 euro. Verkoop je 500 lampen per maand, dan genereer je 30.000 euro aan brutowinst om huur, lonen en advertenties te dekken.
De meest voorkomende fout is alles in COGS stoppen. Je kantoorhuur, je boekhouder, je advertentiebudget en je eigen oprichterssalaris zijn operationele kosten, geen COGS. Verplaats ze naar COGS en je marge ziet er verschrikkelijk uit, wat je ertoe kan brengen een product op te geven terwijl het echte probleem vaste kosten zijn.
De tweede fout is timing. COGS hoort bij de periode waarin je de goederen verkocht hebt, niet de periode waarin je ze kocht. Als je in januari 1.000 lampen koopt en er in februari 200 verkoopt, dan komt alleen de kost van 200 lampen, 12.000 euro, in februari terecht. De rest blijft in voorraad.
Het financiële plan dat Foundor genereert vermeldt COGS als eigen regel, zodat je de brutowinst kunt aflezen vóór de vaste kosten.
