Een economic moat is de structurele reden waarom je winst een aanval overleeft. Concurrenten zien je marge, willen die ook, en proberen die af te pakken. Een moat is wat hen tegenhoudt: patenten, netwerkeffecten, overstapkosten, exclusieve toelevering, of een kostenbasis die ze niet kunnen evenaren. Zonder moat zakken hoge marges richting het marktgemiddelde.
Moats komen in een paar herkenbare vormen. Netwerkeffecten, waarbij elke nieuwe gebruiker het product beter maakt voor de anderen. Overstapkosten, waarbij vertrekken duur is. Kostenvoordeel, waarbij jij goedkoper produceert bij dezelfde kwaliteit. Immateriële activa, zoals patenten, licenties of een merk waar mensen expliciet naar vragen. Efficiënte schaal, waarbij de markt maar plaats biedt aan een of twee spelers.
Een voorbeeld. Jouw marktplaats verbindt 4.000 kopers met 800 verkopers. Een concurrent lanceert met 40 verkopers. Een koper die 800 aanbiedingen vergelijkt met 40, blijft bij jou, dus trekt die concurrent weinig kopers aan, dus zien verkopers weinig reden om aan te sluiten. Als die concurrent 20 verkopers per maand aantrekt, duurt het 38 maanden om je 800 te evenaren, en dat terwijl je beide kanten moet betalen. Dat gat is je moat, en het wordt breder terwijl zij eraan werken.
Twee misvattingen komen vaak voor. De eerste is een voorsprong een moat noemen. Zes maanden voor liggen is een voorsprong, want een concurrent haalt dat in door zes maanden te werken. Een moat wordt juist moeilijker te overbruggen naarmate je groeit. De tweede is een moat claimen die je klanten nooit voelen. Eigen technologie beschermt je alleen als klanten het zouden merken als die er niet was.
Beginnende bedrijven hebben meestal nog geen moat. Het door Foundor gegenereerde plan bevat een moat-regel in het concurrentiegedeelte; de bruikbare versie benoemt waar je naartoe werkt en wat daarvoor nodig is, in plaats van bescherming te claimen die je nog niet hebt.
